zijn in woordenboek Nederlands

  • zijn

    Betekenissen en definities van "zijn"

    • bestaan
    • derde persoon enkelvoud m/o
    • Gebruikt om de aanvoegende wijs te vormen.
    • De eerste persoon meervoud van de tegenwoordige tijd van zijn.
    • De twee persoon meervoud van de tegenwoordige tijd van zijn.
    • De derde persoon meervoud van de tegenwoordige tijd van zijn.
    • [Gebruikt om de aanvoegende wijs te vormen.]
    • Een plaats innemen.
    • Verbindt een zelfstandig naamwoord met een bijvoeglijk naamwoord om een hoedanigheid aan te duiden.
    • Verbindt een zelfstandig naamwoord met een bijvoeglijk naamwoord om een typerende eigenschap aan te duiden.
    • Verhogen in getal of hoeveelheid.
    • Behorende tot het.
    • Behorende tot hem.
    • zijn (existentieel)
    • [Verbindt een zelfstandig naamwoord met een bijvoeglijk naamwoord om een hoedanigheid aan te duiden.]
    • Derde persoon meervoud van de tegenwoordige tijd van het werkwoord 'zijn'.
    • [Verbindt een zelfstandig naamwoord met een bijvoeglijk naamwoord om een typerende eigenschap aan te duiden.]
    • Een wezen hebben.

    Antoniemen van "zijn" in woordenboek Nederlands

    haar f is het antoniem van "zijn" in de Nederlands-thesaurus.

    Grammatica en verbuiging van zijn

    • zijn m. n. (dependent possessive) ( independent possessive zijne, contracted form z'n)
    • zijn (irregular)
    • (Verb) Conjugation of zijn
      infinitive zijn
      present tense past tense
      1st person singular ben was
      2nd person sing. (jij/u) bent was <tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) zijt waart
      3rd person singular is was
      plural zijn waren
      subjunctive sing.1 zij ware
      subjunctive plur.1 zijn waren
      imperative sing. wees, ben
      imperative plur.1 weest
      participles zijnd (zijn) geweest
      1) Archaic.
    • (Determiner) Dutch personal pronouns
      subject object possessive reflexive
      singular full unstr. full unstr. full unstr. pred.
      1st person ik 'k1 mij me mijn m'n1 mijne me
      2nd person jij je jou je jouw je jouwe je
      2nd person dialectal gij ge u uw uwe u
      2nd person formal u u uw uwe zich
      3rd person masculine hij ie1 hem 'm1 zijn z'n1 zijne zich
      3rd person feminine zij ze haar 'r1, d'r1 haar 'r1, d'r1 hare zich
      3rd person neuter het 't1 het 't1 zijn z'n1 zijne zich
      plural
      1st person wij we ons ons, onze2 onze ons
      2nd person jullie je jullie je jullie je je
      2nd person dialectal gij ge u uw uwe u
      2nd person formal u u uw uwe zich
      3rd person zij ze hen3, hun4 ze hun hunne zich
      1) Not as common in written language.2) Inflected as an adjective. 3) In prescriptivist use, used only as direct object (accusative).4) In prescriptivist use, used only as indirect object (dative).
    • zob.  zobacz: Aneks:Język holenderski - odmiana czasownika zijn
    • Generally, the infinitive wezen, the present participle wezend and the present subjunctive weze and wezen are also used. In Belgium the singular imperative zij is also used.
      Inflection of zijn (irregular, suppletive)
      infinitive zijn
      past singular was
      past participle geweest
      infinitive zijn
      gerund zijn n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular ben was
      2nd person sing. (jij) bent was
      2nd person sing. (u) bent, is was
      2nd person sing. (gij) zijt waart
      3rd person singular is was
      plural zijn waren
      subjunctive sing.1 zij ware
      subjunctive plur.1 zijn waren
      imperative sing. wees, ben
      imperative plur.1 weest, zijt
      participles zijnd geweest
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " zijn "

Beschikbare vertalingen