vaststellen in woordenboek Nederlands

  • vaststellen

    Betekenissen en definities van "vaststellen"

    • Demonstreren dat iets juist is.
    • Met zekerheid leren en ontdekken.

    Grammatica en verbuiging van vaststellen

    • (Verb) Conjugation of vaststellen
      infinitive vaststellen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular stel vast stelde vast vaststel vaststelde
      2nd person singular stelt vast stelde vast vaststelt vaststelde
      3rd person singular stelt vast stelde vast vaststelt vaststelde
      plural stellen vast stelden vast vaststellen vaststelden
      subjunctive sing.1 stelle vast stelde vast vaststelle vaststelde
      subjunctive plur.1 stellen vast stelden vast vaststellen vaststelden
      imperative sing. stel vast
      imperative plur.1 stelt vast
      participles vaststellend (hebben) vastgesteld
      1) Archaic.
    • vaststellen (weak in -d, separable)
    • Inflection of vaststellen (weak, separable)
      infinitive vaststellen
      past singular stelde vast
      past participle vastgesteld
      infinitive vaststellen
      gerund vaststellen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular stel vast stelde vast vaststel vaststelde
      2nd person sing. (jij) stelt vast stelde vast vaststelt vaststelde
      2nd person sing. (u) stelt vast stelde vast vaststelt vaststelde
      2nd person sing. (gij) stelt vast stelde vast vaststelt vaststelde
      3rd person singular stelt vast stelde vast vaststelt vaststelde
      plural stellen vast stelden vast vaststellen vaststelden
      subjunctive sing.1 stelle vast stelde vast vaststelle vaststelde
      subjunctive plur.1 stellen vast stelden vast vaststellen vaststelden
      imperative sing. stel vast
      imperative plur.1 stelt vast
      participles vaststellend vastgesteld
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " vaststellen "