vast in woordenboek Nederlands

  • vast

    Betekenissen en definities van "vast"

    • In vaste toestand, niet vloeibaar.
    • Grondtoestand van materie dat zijn grootte en vorm behoudt zonder noodzaak van een omhulsel.
    • Voor een aangegeven tijd, in het verleden, het heden of de toekomst.

    Grammatica en verbuiging van vast

    • vast ( comparative vaster, superlative meest vast or vastst)
    • (Adjective) Declension of vast
      positive comparative superlative
      attributive predicative/adverbial
      predicative/adverbial vast vaster  
      neutersingular indefinite vast vaster
      definite vaste vastere vastste het vastst(e)
      common singular vaste vastere vastste de vastste
      plural vaste vastere vastste de vastste
      partitive vasts vasters  
    • vast (comparative vaster, superlative meest vast or vastst) ;;
      Inflection of vast
      uninflected vast
      inflected vaste
      comparative vaster
      positive comparative superlative
      predicative/adverbial vast vaster het vastst
      het vastste
      indefinite m./f. sing. vaste vastere vastste
      n. sing. vast vaster vastste
      plural vaste vastere vastste
      definite vaste vastere vastste
      partitive vasts vasters

Voorbeeldzinnen met " vast "