reviseren in woordenboek Nederlands

  • reviseren

    Betekenissen en definities van "reviseren"

    Grammatica en verbuiging van reviseren

    • (Verb) Conjugation of reviseren
      infinitive reviseren
      present tense past tense
      1st person singular reviseer reviseerde
      2nd person singular reviseert reviseerde
      3rd person singular reviseert reviseerde
      plural reviseren reviseerden
      subjunctive sing.1 revisere reviseerde
      subjunctive plur.1 reviseren reviseerden
      imperative sing. reviseer
      imperative plur.1 reviseert
      participles reviserend (hebben) gereviseerd
      1) Archaic.
    • reviseren (weak in -d)
    • Inflection of reviseren (weak)
      infinitive reviseren
      past singular reviseerde
      past participle gereviseerd
      infinitive reviseren
      gerund reviseren n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular reviseer reviseerde
      2nd person sing. (jij) reviseert reviseerde
      2nd person sing. (u) reviseert reviseerde
      2nd person sing. (gij) reviseert reviseerde
      3rd person singular reviseert reviseerde
      plural reviseren reviseerden
      subjunctive sing.1 revisere reviseerde
      subjunctive plur.1 reviseren reviseerden
      imperative sing. reviseer
      imperative plur.1 reviseert
      participles reviserend gereviseerd
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " reviseren "