relateren in woordenboek Nederlands relateren Betekenissen en definities van "relateren" meer Grammatica en verbuiging van relateren (Verb) Conjugation of relateren infinitive relateren present tense past tense 1st person singular relateer relateerde 2nd person singular relateert relateerde 3rd person singular relateert relateerde plural relateren relateerden subjunctive sing.1 relatere relateerde subjunctive plur.1 relateren relateerden imperative sing. relateer imperative plur.1 relateert participles relaterend (hebben) gerelateerd 1) Archaic. relateren (weak in -d) Inflection of relateren (weak) infinitive relateren past singular relateerde past participle gerelateerd infinitive relateren gerund relateren n verbal noun — present tense past tense 1st person singular relateer relateerde 2nd person sing. (jij) relateert relateerde 2nd person sing. (u) relateert relateerde 2nd person sing. (gij) relateert relateerde 3rd person singular relateert relateerde plural relateren relateerden subjunctive sing.1 relatere relateerde subjunctive plur.1 relateren relateerden imperative sing. relateer imperative plur.1 relateert participles relaterend gerelateerd 1) Archaic. meer Voorbeeldzinnen met " relateren " Verbuiging Verbuig Probeer opnieuw Beschikbare vertalingen Duits Engels Frans Italiaans Lingua Franca Nova Malagassisch Portugees Russisch Spaans Auteurs