relateren in woordenboek Nederlands

  • relateren

    Betekenissen en definities van "relateren"

    Grammatica en verbuiging van relateren

    • (Verb) Conjugation of relateren
      infinitive relateren
      present tense past tense
      1st person singular relateer relateerde
      2nd person singular relateert relateerde
      3rd person singular relateert relateerde
      plural relateren relateerden
      subjunctive sing.1 relatere relateerde
      subjunctive plur.1 relateren relateerden
      imperative sing. relateer
      imperative plur.1 relateert
      participles relaterend (hebben) gerelateerd
      1) Archaic.
    • relateren (weak in -d)
    • Inflection of relateren (weak)
      infinitive relateren
      past singular relateerde
      past participle gerelateerd
      infinitive relateren
      gerund relateren n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular relateer relateerde
      2nd person sing. (jij) relateert relateerde
      2nd person sing. (u) relateert relateerde
      2nd person sing. (gij) relateert relateerde
      3rd person singular relateert relateerde
      plural relateren relateerden
      subjunctive sing.1 relatere relateerde
      subjunctive plur.1 relateren relateerden
      imperative sing. relateer
      imperative plur.1 relateert
      participles relaterend gerelateerd
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " relateren "