rekenen in woordenboek Nederlands

  • rekenen

    Betekenissen en definities van "rekenen"

    • getallen manipuleren
    • De som van de cijfers van een cijfersysteem bepalen.
    • De oudste en de simpelste tak van de wiskunde, gebruikt voor een eenvoudige optelling tot ingewikkelde wetenschappelijke berekeningen.
    • Een mathematische berekening maken.

    Grammatica en verbuiging van rekenen

    • rekenen (weak in -d)
    • (Verb) Conjugation of rekenen
      infinitive rekenen
      present tense past tense
      1st person singular reken rekende
      2nd person singular rekent rekende
      3rd person singular rekent rekende
      plural rekenen rekenden
      subjunctive sing.1 rekene rekende
      subjunctive plur.1 rekenen rekenden
      imperative sing. reken
      imperative plur.1 rekent
      participles rekenend (hebben) gerekend
      1) Archaic.
    • Inflection of rekenen (weak)
      infinitive rekenen
      past singular rekende
      past participle gerekend
      infinitive rekenen
      gerund rekenen n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular reken rekende
      2nd person sing. (jij) rekent rekende
      2nd person sing. (u) rekent rekende
      2nd person sing. (gij) rekent rekende
      3rd person singular rekent rekende
      plural rekenen rekenden
      subjunctive sing.1 rekene rekende
      subjunctive plur.1 rekenen rekenden
      imperative sing. reken
      imperative plur.1 rekent
      participles rekenend gerekend
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " rekenen "