praten in woordenboek Nederlands

  • praten

    Betekenissen en definities van "praten"

    • zich met behulp van de stem uiten
    • Mondeling communiceren, gebruik makend van een bepaalde taal.
    • Op een vriendelijk en informele wijze praten.

    Grammatica en verbuiging van praten

    • (Verb) Conjugation of praten
      infinitive praten
      present tense past tense
      1st person singular praat praatte
      2nd person singular praat praatte
      3rd person singular praat praatte
      plural praten praatten
      subjunctive sing.1 prate praatte
      subjunctive plur.1 praten praatten
      imperative sing. praat
      imperative plur.1 praat
      participles pratend (hebben) gepraat
      1) Archaic.
    • praten (weak in -t)
    • Inflection of praten (weak)
      infinitive praten
      past singular praatte
      past participle gepraat
      infinitive praten
      gerund praten n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular praat praatte
      2nd person sing. (jij) praat praatte
      2nd person sing. (u) praat praatte
      2nd person sing. (gij) praat praatte
      3rd person singular praat praatte
      plural praten praatten
      subjunctive sing.1 prate praatte
      subjunctive plur.1 praten praatten
      imperative sing. praat
      imperative plur.1 praat
      participles pratend gepraat
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " praten "