overzien in woordenboek Nederlands

  • overzien

    Betekenissen en definities van "overzien"

    • Binnen het gezichtveld hebben, waarschijnlijk vanuit een verheven positie; in een positie van overzicht zijn; visueel controleren.

    Grammatica en verbuiging van overzien

    • (Verb) Conjugation of overzien
      infinitive overzien
      present tense past tense
      1st person singular overzie overzag
      2nd person sing. (jij/u) overziet overzag <tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) overziet overzaagt
      3rd person singular overziet overzag
      plural overzien overzagen
      subjunctive sing.1 overzie overzage
      subjunctive plur.1 overzien overzagen
      imperative sing. overzie
      imperative plur.1 overziet
      participles overziend (hebben) overzien
      1) Archaic.
    • overzien (irregular)
    • Inflection of overzien
      uninflected overzien
      inflected overziene
      comparative
      positive
      predicative/adverbial overzien
      indefinite m./f. sing. overziene
      n. sing. overzien
      plural overziene
      definite overziene
      partitive overziens
    • Inflection of overzien (strong class 5, irregular, prefixed)
      infinitive overzien
      past singular overzag
      past participle overzien
      infinitive overzien
      gerund overzien n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular overzie overzag
      2nd person sing. (jij) overziet overzag
      2nd person sing. (u) overziet overzag
      2nd person sing. (gij) overziet overzaagt
      3rd person singular overziet overzag
      plural overzien overzagen
      subjunctive sing.1 overzie overzage
      subjunctive plur.1 overzien overzagen
      imperative sing. overzie
      imperative plur.1 overziet
      participles overziend overzien
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " overzien "