opvangen in woordenboek Nederlands

  • opvangen

    Betekenissen en definities van "opvangen"

    Grammatica en verbuiging van opvangen

    • opvangen (strong class 7, separable)
    • (Verb) Conjugation of opvangen
      infinitive opvangen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular vang op ving op opvang opving
      2nd person sing. (jij/u) vangt op ving op opvangt opving<tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) vangt op vingt op opvangt opvingt
      3rd person singular vangt op ving op opvangt opving
      plural vangen op vingen op opvangen opvingen
      subjunctive sing.1 vange op vinge op opvange opvinge
      subjunctive plur.1 vangen op vingen op opvangen opvingen
      imperative sing. vang op
      imperative plur.1 vangt op
      participles opvangend (hebben/zijn) opgevangen
      1) Archaic.
    • Inflection of opvangen (strong class 7, separable)
      infinitive opvangen
      past singular ving op
      past participle opgevangen
      infinitive opvangen
      gerund opvangen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular vang op ving op opvang opving
      2nd person sing. (jij) vangt op ving op opvangt opving
      2nd person sing. (u) vangt op ving op opvangt opving
      2nd person sing. (gij) vangt op vingt op opvangt opvingt
      3rd person singular vangt op ving op opvangt opving
      plural vangen op vingen op opvangen opvingen
      subjunctive sing.1 vange op vinge op opvange opvinge
      subjunctive plur.1 vangen op vingen op opvangen opvingen
      imperative sing. vang op
      imperative plur.1 vangt op
      participles opvangend opgevangen
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " opvangen "