opstapelen in woordenboek Nederlands

  • opstapelen

    Betekenissen en definities van "opstapelen"

    • Iets op een hoop werpen.

    Grammatica en verbuiging van opstapelen

    • opstapelen (weak in -d, separable)
    • (Verb) Conjugation of opstapelen
      infinitive opstapelen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular stapel op stapelde op opstapel opstapelde
      2nd person singular stapelt op stapelde op opstapelt opstapelde
      3rd person singular stapelt op stapelde op opstapelt opstapelde
      plural stapelen op stapelden op opstapelen opstapelden
      subjunctive sing.1 stapele op stapelde op opstapele opstapelde
      subjunctive plur.1 stapelen op stapelden op opstapelen opstapelden
      imperative sing. stapel op
      imperative plur.1 stapelt op
      participles opstapelend (hebben) opgestapeld
      1) Archaic.
    • Inflection of opstapelen (weak, separable)
      infinitive opstapelen
      past singular stapelde op
      past participle opgestapeld
      infinitive opstapelen
      gerund opstapelen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular stapel op stapelde op opstapel opstapelde
      2nd person sing. (jij) stapelt op stapelde op opstapelt opstapelde
      2nd person sing. (u) stapelt op stapelde op opstapelt opstapelde
      2nd person sing. (gij) stapelt op stapelde op opstapelt opstapelde
      3rd person singular stapelt op stapelde op opstapelt opstapelde
      plural stapelen op stapelden op opstapelen opstapelden
      subjunctive sing.1 stapele op stapelde op opstapele opstapelde
      subjunctive plur.1 stapelen op stapelden op opstapelen opstapelden
      imperative sing. stapel op
      imperative plur.1 stapelt op
      participles opstapelend opgestapeld
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " opstapelen "