opnoemen in woordenboek Nederlands

  • opnoemen

    Betekenissen en definities van "opnoemen"

    Grammatica en verbuiging van opnoemen

    • (Verb) Conjugation of opnoemen
      infinitive opnoemen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular noem op noemde op opnoem opnoemde
      2nd person singular noemt op noemde op opnoemt opnoemde
      3rd person singular noemt op noemde op opnoemt opnoemde
      plural noemen op noemden op opnoemen opnoemden
      subjunctive sing.1 noeme op noemde op opnoeme opnoemde
      subjunctive plur.1 noemen op noemden op opnoemen opnoemden
      imperative sing. noem op
      imperative plur.1 noemt op
      participles opnoemend (hebben) opgenoemd
      1) Archaic.
    • opnoemen (weak in -d, separable)
    • Inflection of opnoemen (weak, separable)
      infinitive opnoemen
      past singular noemde op
      past participle opgenoemd
      infinitive opnoemen
      gerund opnoemen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular noem op noemde op opnoem opnoemde
      2nd person sing. (jij) noemt op noemde op opnoemt opnoemde
      2nd person sing. (u) noemt op noemde op opnoemt opnoemde
      2nd person sing. (gij) noemt op noemde op opnoemt opnoemde
      3rd person singular noemt op noemde op opnoemt opnoemde
      plural noemen op noemden op opnoemen opnoemden
      subjunctive sing.1 noeme op noemde op opnoeme opnoemde
      subjunctive plur.1 noemen op noemden op opnoemen opnoemden
      imperative sing. noem op
      imperative plur.1 noemt op
      participles opnoemend opgenoemd
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " opnoemen "