opereren in woordenboek Nederlands

  • opereren

    Betekenissen en definities van "opereren"

    • aan een chirurgische ingreep onderwerpen
    • Een activiteit uitvoeren, actief zijn.

    Grammatica en verbuiging van opereren

    • opereren (weak in -d)
    • (Verb) Conjugation of opereren
      infinitive opereren
      present tense past tense
      1st person singular opereer opereerde
      2nd person singular opereert opereerde
      3rd person singular opereert opereerde
      plural opereren opereerden
      subjunctive sing.1 operere opereerde
      subjunctive plur.1 opereren opereerden
      imperative sing. opereer
      imperative plur.1 opereert
      participles opererend (hebben) geopereerd
      1) Archaic.
    • Inflection of opereren (weak)
      infinitive opereren
      past singular opereerde
      past participle geopereerd
      infinitive opereren
      gerund opereren n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular opereer opereerde
      2nd person sing. (jij) opereert opereerde
      2nd person sing. (u) opereert opereerde
      2nd person sing. (gij) opereert opereerde
      3rd person singular opereert opereerde
      plural opereren opereerden
      subjunctive sing.1 operere opereerde
      subjunctive plur.1 opereren opereerden
      imperative sing. opereer
      imperative plur.1 opereert
      participles opererend geopereerd
      1) Archaic.
      chr:opereren

Voorbeeldzinnen met " opereren "