opendoen in woordenboek Nederlands

  • opendoen

    Betekenissen en definities van "opendoen"

    • Iets toegankelijk maken of een belemmering weghalen.

    Grammatica en verbuiging van opendoen

    • opendoen (irregular, separable)
    • (Verb) Conjugation of opendoen
      infinitive opendoen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular doe open deed open opendoe opendeed
      2nd person sing. (jij/u) doet open deed open opendoet opendeed<tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) doet open deedt open opendoet opendeedt
      3rd person singular doet open deed open opendoet opendeed
      plural doen open deden open opendoen opendeden
      subjunctive sing.1 doe open dede open opendoe opendede
      subjunctive plur.1 doen open deden open opendoen opendeden
      imperative sing. doe open
      imperative plur.1 doet open
      participles opendoend (hebben/zijn) opengedaan
      1) Archaic.
    • Inflection of opendoen (strong, irregular, separable)
      infinitive opendoen
      past singular deed open
      past participle opengedaan
      infinitive opendoen
      gerund opendoen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular doe open deed open opendoe opendeed
      2nd person sing. (jij) doet open deed open opendoet opendeed
      2nd person sing. (u) doet open deed open opendoet opendeed
      2nd person sing. (gij) doet open deedt open opendoet opendeedt
      3rd person singular doet open deed open opendoet opendeed
      plural doen open deden open opendoen opendeden
      subjunctive sing.1 doe open dede open opendoe opendede
      subjunctive plur.1 doen open deden open opendoen opendeden
      imperative sing. doe open
      imperative plur.1 doet open
      participles opendoend opengedaan
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " opendoen "