ontberen in woordenboek Nederlands

  • ontberen

    Betekenissen en definities van "ontberen"

    • iets missen waaraan men grote behoefte heeft
    • Een bepaald(e) hoeveelheid of aantal van iets nodig hebben, waar het volledig aan ontbreekt.
    • Een bepaald(e) hoeveelheid of aantal van iets nodig hebben, maar niet genoeg hebben of helemaal niets.

    Grammatica en verbuiging van ontberen

    • (Verb) Conjugation of ontberen
      infinitive ontberen
      present tense past tense
      1st person singular ontbeer ontbeerde
      2nd person singular ontbeert ontbeerde
      3rd person singular ontbeert ontbeerde
      plural ontberen ontbeerden
      subjunctive sing.1 ontbere ontbeerde
      subjunctive plur.1 ontberen ontbeerden
      imperative sing. ontbeer
      imperative plur.1 ontbeert
      participles ontberend (hebben) ontbeerd
      1) Archaic.
    • ontberen (weak in -d)
    • Inflection of ontberen (weak, prefixed)
      infinitive ontberen
      past singular ontbeerde
      past participle ontbeerd
      infinitive ontberen
      gerund ontberen n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular ontbeer ontbeerde
      2nd person sing. (jij) ontbeert ontbeerde
      2nd person sing. (u) ontbeert ontbeerde
      2nd person sing. (gij) ontbeert ontbeerde
      3rd person singular ontbeert ontbeerde
      plural ontberen ontbeerden
      subjunctive sing.1 ontbere ontbeerde
      subjunctive plur.1 ontberen ontbeerden
      imperative sing. ontbeer
      imperative plur.1 ontbeert
      participles ontberend ontbeerd
      1) Archaic.
      chr:ontberen

Voorbeeldzinnen met " ontberen "