kronen in woordenboek Nederlands

  • kronen

    Betekenissen en definities van "kronen"

    • iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
    • Op een troon plaatsen.

    Grammatica en verbuiging van kronen

    • kronen (weak in -d)
    • (Verb) Conjugation of kronen
      infinitive kronen
      present tense past tense
      1st person singular kroon kroonde
      2nd person singular kroont kroonde
      3rd person singular kroont kroonde
      plural kronen kroonden
      subjunctive sing.1 krone kroonde
      subjunctive plur.1 kronen kroonden
      imperative sing. kroon
      imperative plur.1 kroont
      participles kronend (hebben) gekroond
      1) Archaic.
    • Inflection of kronen (weak)
      infinitive kronen
      past singular kroonde
      past participle gekroond
      infinitive kronen
      gerund kronen n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular kroon kroonde
      2nd person sing. (jij) kroont kroonde
      2nd person sing. (u) kroont kroonde
      2nd person sing. (gij) kroont kroonde
      3rd person singular kroont kroonde
      plural kronen kroonden
      subjunctive sing.1 krone kroonde
      subjunctive plur.1 kronen kroonden
      imperative sing. kroon
      imperative plur.1 kroont
      participles kronend gekroond
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " kronen "