instuderen in woordenboek Nederlands

  • instuderen

    Betekenissen en definities van "instuderen"

    Grammatica en verbuiging van instuderen

    • instuderen (weak in -d, separable)
    • (Verb) Conjugation of instuderen
      infinitive instuderen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular studeer in studeerde in instudeer instudeerde
      2nd person singular studeert in studeerde in instudeert instudeerde
      3rd person singular studeert in studeerde in instudeert instudeerde
      plural studeren in studeerden in instuderen instudeerden
      subjunctive sing.1 studere in studeerde in instudere instudeerde
      subjunctive plur.1 studeren in studeerden in instuderen instudeerden
      imperative sing. studeer in
      imperative plur.1 studeert in
      participles instuderend (hebben) ingestudeerd
      1) Archaic.
    • Inflection of instuderen (weak, separable)
      infinitive instuderen
      past singular studeerde in
      past participle ingestudeerd
      infinitive instuderen
      gerund instuderen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular studeer in studeerde in instudeer instudeerde
      2nd person sing. (jij) studeert in studeerde in instudeert instudeerde
      2nd person sing. (u) studeert in studeerde in instudeert instudeerde
      2nd person sing. (gij) studeert in studeerde in instudeert instudeerde
      3rd person singular studeert in studeerde in instudeert instudeerde
      plural studeren in studeerden in instuderen instudeerden
      subjunctive sing.1 studere in studeerde in instudere instudeerde
      subjunctive plur.1 studeren in studeerden in instuderen instudeerden
      imperative sing. studeer in
      imperative plur.1 studeert in
      participles instuderend ingestudeerd
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " instuderen "