importeren in woordenboek Nederlands

  • importeren

    Betekenissen en definities van "importeren"

    Grammatica en verbuiging van importeren

    • (Verb) Conjugation of importeren
      infinitive importeren
      present tense past tense
      1st person singular importeer importeerde
      2nd person singular importeert importeerde
      3rd person singular importeert importeerde
      plural importeren importeerden
      subjunctive sing.1 importere importeerde
      subjunctive plur.1 importeren importeerden
      imperative sing. importeer
      imperative plur.1 importeert
      participles importerend (hebben) geïmporteerd
      1) Archaic.
    • importeren (weak in -d)
    • Inflection of importeren (weak)
      infinitive importeren
      past singular importeerde
      past participle geïmporteerd
      infinitive importeren
      gerund importeren n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular importeer importeerde
      2nd person sing. (jij) importeert importeerde
      2nd person sing. (u) importeert importeerde
      2nd person sing. (gij) importeert importeerde
      3rd person singular importeert importeerde
      plural importeren importeerden
      subjunctive sing.1 importere importeerde
      subjunctive plur.1 importeren importeerden
      imperative sing. importeer
      imperative plur.1 importeert
      participles importerend geïmporteerd
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " importeren "