emanciperen in woordenboek Nederlands emanciperen Betekenissen en definities van "emanciperen" Vrij maken van de invloed van iemand anders. meer Grammatica en verbuiging van emanciperen (Verb) Conjugation of emanciperen infinitive emanciperen present tense past tense 1st person singular emancipeer emancipeerde 2nd person singular emancipeert emancipeerde 3rd person singular emancipeert emancipeerde plural emanciperen emancipeerden subjunctive sing.1 emancipere emancipeerde subjunctive plur.1 emanciperen emancipeerden imperative sing. emancipeer imperative plur.1 emancipeert participles emanciperend (hebben) geëmancipeerd 1) Archaic. emanciperen (weak in -d) Inflection of emanciperen (weak) infinitive emanciperen past singular emancipeerde past participle geëmancipeerd infinitive emanciperen gerund emanciperen n verbal noun — present tense past tense 1st person singular emancipeer emancipeerde 2nd person sing. (jij) emancipeert emancipeerde 2nd person sing. (u) emancipeert emancipeerde 2nd person sing. (gij) emancipeert emancipeerde 3rd person singular emancipeert emancipeerde plural emanciperen emancipeerden subjunctive sing.1 emancipere emancipeerde subjunctive plur.1 emanciperen emancipeerden imperative sing. emancipeer imperative plur.1 emancipeert participles emanciperend geëmancipeerd 1) Archaic. meer Voorbeeldzinnen met " emanciperen " Verbuiging Verbuig Probeer opnieuw Beschikbare vertalingen Catalaans Deens Duits Engels Esperanto Faeröers Frans Galicisch Italiaans Malagassisch Portugees Spaans Turks Auteurs