doen in woordenboek Nederlands

  • doen

    Betekenissen en definities van "doen"

    • een actie ondernemen
    • Iets doen.
    • Iets doen, bedrijven of volbrengen.
    • Iemand iets laten doen of iemand iets.
    • Handelen, zich gedragen.

    Grammatica en verbuiging van doen

    • doen (irregular)
    • doen n. ( uncountable)
    • (Verb) Conjugation of doen
      infinitive doen
      present tense past tense
      1st person singular doe deed
      2nd person sing. (jij/u) doet deed <tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) doet deedt
      3rd person singular doet deed
      plural doen deden
      subjunctive sing.1 doe dede
      subjunctive plur.1 doen deden
      imperative sing. doe
      imperative plur.1 doet
      participles doend (hebben/zijn) gedaan
      1) Archaic.
    • doen n (uncountable)
    • Inflection of doen (strong, irregular)
      infinitive doen
      past singular deed
      past participle gedaan
      infinitive doen
      gerund doen n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular doe deed
      2nd person sing. (jij) doet deed
      2nd person sing. (u) doet deed
      2nd person sing. (gij) doet deedt
      3rd person singular doet deed
      plural doen deden
      subjunctive sing.1 doe dede
      subjunctive plur.1 doen deden
      imperative sing. doe
      imperative plur.1 doet
      participles doend gedaan
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " doen "

Beschikbare vertalingen