bespreken in woordenboek Nederlands

  • bespreken

    Betekenissen en definities van "bespreken"

    • een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
    • (Iets voor iemand anders) van te voren regelen.
    • Converseren of debatteren over een speciaal onderwerp.

    Grammatica en verbuiging van bespreken

    • (Verb) Conjugation of bespreken
      infinitive bespreken
      present tense past tense
      1st person singular bespreek besprak
      2nd person sing. (jij/u) bespreekt besprak <tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) bespreekt bespraakt
      3rd person singular bespreekt besprak
      plural bespreken bespraken
      subjunctive sing.1 bespreke besprake
      subjunctive plur.1 bespreken bespraken
      imperative sing. bespreek
      imperative plur.1 bespreekt
      participles besprekend (hebben/zijn) besproken
      1) Archaic.
    • bespreken (strong class 4)
    • Inflection of bespreken (strong class 4, prefixed)
      infinitive bespreken
      past singular besprak
      past participle besproken
      infinitive bespreken
      gerund bespreken n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular bespreek besprak
      2nd person sing. (jij) bespreekt besprak
      2nd person sing. (u) bespreekt besprak
      2nd person sing. (gij) bespreekt bespraakt
      3rd person singular bespreekt besprak
      plural bespreken bespraken
      subjunctive sing.1 bespreke besprake
      subjunctive plur.1 bespreken bespraken
      imperative sing. bespreek
      imperative plur.1 bespreekt
      participles besprekend besproken
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " bespreken "