alleen in woordenboek Nederlands

  • alleen

    Betekenissen en definities van "alleen"

    • zonder gezelschap
    • slechts
    • Zonder gezelschap.
    • Op zichzelf; los van of zonder anderen; van toepassing op voorwerpen.
    • Op zichzelf; los van of zonder anderen; van toepassing op personen.
    • Enkelvoudig; deel van een betrekkelijk klein aantal.
    • Zonder iets of iemand anders.

    Grammatica en verbuiging van alleen

    • alleen ( not comparable)
    • alleen ( comparative allener, superlative alleenst)
    • (Adjective) Declension of alleen
      positive comparative superlative
      attributive predicative/adverbial
      predicative/adverbial alleen allener  
      neutersingular indefinite alleen allener
      definite allene allenere alleenste het alleenst(e)
      common singular allene allenere alleenste de alleenste
      plural allene allenere alleenste de alleenste
      partitive alleens alleners  
    • alleen (comparative allener, superlative alleenst) ;;
      Inflection of alleen
      uninflected alleen
      inflected allene
      comparative allener
      positive comparative superlative
      predicative/adverbial alleen allener het alleenst
      het alleenste
      indefinite m./f. sing. allene allenere alleenste
      n. sing. alleen allener alleenste
      plural allene allenere alleenste
      definite allene allenere alleenste
      partitive alleens alleners
  • Alleen

Afbeeldingen met "alleen"

Voorbeeldzinnen met " alleen "

Beschikbare vertalingen