afmelden in woordenboek Nederlands

  • afmelden

    Betekenissen en definities van "afmelden"

    • de sessie binnen een programma beëindigen

    Grammatica en verbuiging van afmelden

    • (Verb) Conjugation of afmelden
      infinitive afmelden
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular meld af meldde af afmeld afmeldde
      2nd person singular meldt af meldde af afmeldt afmeldde
      3rd person singular meldt af meldde af afmeldt afmeldde
      plural melden af meldden af afmelden afmeldden
      subjunctive sing.1 melde af meldde af afmelde afmeldde
      subjunctive plur.1 melden af meldden af afmelden afmeldden
      imperative sing. meld af
      imperative plur.1 meldt af
      participles afmeldend (hebben) afgemeld
      1) Archaic.
    • afmelden (weak in -d, separable)
    • Inflection of afmelden (weak, separable)
      infinitive afmelden
      past singular meldde af
      past participle afgemeld
      infinitive afmelden
      gerund afmelden n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular meld af meldde af afmeld afmeldde
      2nd person sing. (jij) meldt af meldde af afmeldt afmeldde
      2nd person sing. (u) meldt af meldde af afmeldt afmeldde
      2nd person sing. (gij) meldt af meldde af afmeldt afmeldde
      3rd person singular meldt af meldde af afmeldt afmeldde
      plural melden af meldden af afmelden afmeldden
      subjunctive sing.1 melde af meldde af afmelde afmeldde
      subjunctive plur.1 melden af meldden af afmelden afmeldden
      imperative sing. meld af
      imperative plur.1 meldt af
      participles afmeldend afgemeld
      1) Archaic.
  • Afmelden

Voorbeeldzinnen met " afmelden "