Vertaling van "agitator" naar Nederlands
onruststoker, agitator, ophitser zijn de beste vertalingen van "agitator" in Nederlands.
One who agitates; one who stirs up or excites others; as, political reformers and agitators. [..]
-
onruststoker
noun masculineSomeone who agitates or calls for a certain behavior; a troublemaker.
What we have to do now is contain these agitators.
Wat we nu moeten doen is deze onruststokers in de hand te houden.
-
agitator
Someone who agitates or calls for a certain behavior; a troublemaker.
Lü had shown her true colours as an extremist and incorrigible agitator for the independence of Taiwan.
Lü had haar ware gezicht laten zien van extremiste en onverbeterlijke agitator voor de onafhankelijkheid van Taiwan.
-
ophitser
So let those agitators just start a world war?
Dus laat je die ophitsers gewoon een wereldoorlog beginnen?
-
Minder frequente vertalingen
- activist
- twiststoker
- stokebrand
- volksmenner
- opruier
- provocateur
- opstoker
- aanstoker
- intrigant
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "agitator" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Zinnen vergelijkbaar met "agitator" met vertalingen in Nederlands
-
Agitation Free
-
bang · beducht · bekommerd · bezorgd · druk · gejaagd · nerveus · ongerust · onrustig · ontroerd · opgewonden · rusteloos · woelig · zenuw- · zenuwachtig · zenuw‐ · zorgelijk
-
aandoen · aangrijpen · aanwakkeren · ageren · agiteren · benauwen · bespreken · bewegen · discuteren · dooreenhalen · in beroering brengen · kwaad maken · ontroeren · op stang jagen · ophitsen · opruien · opschudden · opstoken · opwinden · opzetten · prikkelen · rechtop zetten · roeren · schokken · schommelen · schudden · slingeren · swingen · treffen · van gedachten wisselen · van zijn stuk brengen · verduisteren · verhitten · verontrusten · vertoornen · vertroebelen · verwarren · verwisselen · werken op · wrikken · zwaaien
-
aanwakkeren · agiteren · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · prikkelen · verontrusten
-
agitatie · beduchtheid · beroering · beweging · ferment · gejaagdheid · gemoedsbeweging · getier · gevecht · gisting · herrie · hetze · kloppartij · knokpartij · ongerustheid · onrust · opgewondenheid · opschudding · opwinding · rel · roerigheid · rusteloosheid · rustverstoring · schroom · spektakel · stokerij · troebelen · tumult · vechtpartij · verontwaardiging · woeligheid · woeling · zorg
-
bang · beducht · bekommerd · bezorgd · druk · gejaagd · nerveus · ongerust · onrustig · ontroerd · opgewonden · rusteloos · woelig · zenuw- · zenuwachtig · zenuw‐ · zorgelijk
-
agitatie · beduchtheid · beroering · beweging · ferment · gejaagdheid · gemoedsbeweging · getier · gevecht · gisting · herrie · hetze · kloppartij · knokpartij · ongerustheid · onrust · opgewondenheid · opschudding · opwinding · rel · roerigheid · rusteloosheid · rustverstoring · schroom · spektakel · stokerij · troebelen · tumult · vechtpartij · verontwaardiging · woeligheid · woeling · zorg