Vertaling van "agitation" naar Nederlands
agitatie, opwinding, troebelen zijn de beste vertalingen van "agitation" in Nederlands.
agitation
noun
grammatica
The act of agitating, or the state of being agitated; the state of being moved with violence, or with irregular action; commotion. [..]
-
agitatie
noun feminineAct of agitating [..]
We both know that your heart can't take this kind of agitation.
We weten allebei dat jouw hart dit soort agitatie niet meer aankan.
-
opwinding
noun feminineAct of agitating
I mean, if the wesen were kept alive in a heightened state of fear or agitation.
Als de Wesen in een verhoogde staat van angst en opwinding in leven werd gehouden.
-
troebelen
noun pAct of agitating
-
Minder frequente vertalingen
- beroering
- onrust
- opschudding
- beweging
- rusteloosheid
- opgewondenheid
- rel
- gejaagdheid
- gisting
- herrie
- tumult
- roerigheid
- rustverstoring
- stokerij
- woeligheid
- getier
- hetze
- woeling
- spektakel
- ongerustheid
- ferment
- gemoedsbeweging
- kloppartij
- beduchtheid
- knokpartij
- vechtpartij
- schroom
- gevecht
- zorg
- verontwaardiging
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "agitation" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Zinnen vergelijkbaar met "agitation" met vertalingen in Nederlands
-
Agitation Free
-
aanstoker · activist · agitator · intrigant · onruststoker · ophitser · opruier · opstoker · provocateur · stokebrand · twiststoker · volksmenner
-
bang · beducht · bekommerd · bezorgd · druk · gejaagd · nerveus · ongerust · onrustig · ontroerd · opgewonden · rusteloos · woelig · zenuw- · zenuwachtig · zenuw‐ · zorgelijk
-
aandoen · aangrijpen · aanwakkeren · ageren · agiteren · benauwen · bespreken · bewegen · discuteren · dooreenhalen · in beroering brengen · kwaad maken · ontroeren · op stang jagen · ophitsen · opruien · opschudden · opstoken · opwinden · opzetten · prikkelen · rechtop zetten · roeren · schokken · schommelen · schudden · slingeren · swingen · treffen · van gedachten wisselen · van zijn stuk brengen · verduisteren · verhitten · verontrusten · vertoornen · vertroebelen · verwarren · verwisselen · werken op · wrikken · zwaaien
-
aanwakkeren · agiteren · bewegen · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · prikkelen · verontrusten
-
bang · beducht · bekommerd · bezorgd · druk · gejaagd · nerveus · ongerust · onrustig · ontroerd · opgewonden · rusteloos · woelig · zenuw- · zenuwachtig · zenuw‐ · zorgelijk
Voorbeeld toevoegen
Toevoegen