voordoen in woordenboek Nederlands

  • voordoen

    Betekenissen en definities van "voordoen"

    • De de gebruiksmethode van een voorwerp tonen.

    Grammatica en verbuiging van voordoen

    • (Verb) Conjugation of voordoen
      infinitive voordoen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular doe voor deed voor voordoe voordeed
      2nd person sing. (jij/u) doet voor deed voor voordoet voordeed<tr style="background: #F2F2FF;"> 2nd person sing. (gij) doet voor deedt voor voordoet voordeedt
      3rd person singular doet voor deed voor voordoet voordeed
      plural doen voor deden voor voordoen voordeden
      subjunctive sing.1 doe voor dede voor voordoe voordede
      subjunctive plur.1 doen voor deden voor voordoen voordeden
      imperative sing. doe voor
      imperative plur.1 doet voor
      participles voordoend (hebben/zijn) voorgedaan
      1) Archaic.
    • voordoen (irregular, separable)
    • Inflection of voordoen (strong, irregular, separable)
      infinitive voordoen
      past singular deed voor
      past participle voorgedaan
      infinitive voordoen
      gerund voordoen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular doe voor deed voor voordoe voordeed
      2nd person sing. (jij) doet voor deed voor voordoet voordeed
      2nd person sing. (u) doet voor deed voor voordoet voordeed
      2nd person sing. (gij) doet voor deedt voor voordoet voordeedt
      3rd person singular doet voor deed voor voordoet voordeed
      plural doen voor deden voor voordoen voordeden
      subjunctive sing.1 doe voor dede voor voordoe voordede
      subjunctive plur.1 doen voor deden voor voordoen voordeden
      imperative sing. doe voor
      imperative plur.1 doet voor
      participles voordoend voorgedaan
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " voordoen "