tijd in woordenboek Nederlands

  • tijd

    Betekenissen en definities van "tijd"

    • de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
    • De periode dat een gevangene wordt gevangengehouden.
    • Het grammaticale construct voor de tijd waarin een zin handelt.
    • De dimensie uit de fysieke wereld die, gegeven een plaats, de volgorde van gebeurtenissen bepaald.

    Grammatica en verbuiging van tijd

    • tijd m. ( plural tijden, diminutive tijdje, diminutive plural tijdjes)
    • tijd m (plural tijden, diminutive tijdje n)

Voorbeeldzinnen met " tijd "

Beschikbare vertalingen