seizoen in woordenboek Nederlands

  • seizoen

    Betekenissen en definities van "seizoen"

    • één van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    • Een vooraf bepaalde reeks culturele gebeurtenissen; bijvoorbeeld theatrale prestaties of sportengebeurtenissen, die tijdens een uitgebreide tijdspanne plaatsvinden, die wel korter is dan een jaar.
    • Een van de vier gelijke perioden waarin het jaar is verdeeld door nachteveningen en zonnewendingen, ontstaan door de zichtbare beweging van de zon noord en zuid van de evenaar tijdens de elliptsche omloop van de aarde. Deze perioden (lente, zomer, herfst en winter) hebben hun eigen weerskarakteristieken.
    • Een jaarlijkse terugkerende periode van onbepaalde lengte, vrij lang maar nog korter dan een jaar, als een bepaald gewas rijp is of een bepaald type werk, meestal verwant met landbouw, wordt uitgevoerd.

    Grammatica en verbuiging van seizoen

    • seizoen n. ( plural seizoenen, diminutive seizoentje, diminutive plural seizoentjes)
    • seizoen n (plural seizoenen, diminutive seizoentje n)

Afbeeldingen met "seizoen"

Voorbeeldzinnen met " seizoen "

Beschikbare vertalingen