raadplegen in woordenboek Nederlands raadplegen Betekenissen en definities van "raadplegen" een bron van informatie of ervaring aanspeken meer Grammatica en verbuiging van raadplegen raadplegen (weak in -d) (Verb) Conjugation of raadplegen infinitive raadplegen present tense past tense 1st person singular raadpleeg raadpleegde 2nd person singular raadpleegt raadpleegde 3rd person singular raadpleegt raadpleegde plural raadplegen raadpleegden subjunctive sing.1 raadplege raadpleegde subjunctive plur.1 raadplegen raadpleegden imperative sing. raadpleeg imperative plur.1 raadpleegt participles raadplegend (hebben) geraadpleegd 1) Archaic. Inflection of raadplegen (weak) infinitive raadplegen past singular raadpleegde past participle geraadpleegd infinitive raadplegen gerund raadplegen n verbal noun — present tense past tense 1st person singular raadpleeg raadpleegde 2nd person sing. (jij) raadpleegt raadpleegde 2nd person sing. (u) raadpleegt raadpleegde 2nd person sing. (gij) raadpleegt raadpleegde 3rd person singular raadpleegt raadpleegde plural raadplegen raadpleegden subjunctive sing.1 raadplege raadpleegde subjunctive plur.1 raadplegen raadpleegden imperative sing. raadpleeg imperative plur.1 raadpleegt participles raadplegend geraadpleegd 1) Archaic. chr:raadplegen meer Voorbeeldzinnen met " raadplegen " Verbuiging Verbuig Probeer opnieuw Beschikbare vertalingen Afrikaans Belarusisch Bulgaars Catalaans Duits Engels Esperanto Frans Fries Hebreeuws Indonesisch Italiaans Koerdisch Kroatisch Latijn Malagassisch Novial Papiaments Pools Portugees Russisch Spaans Turks Zweeds Auteurs