kleden in woordenboek Nederlands

  • kleden

    Betekenissen en definities van "kleden"

    • kleren aandoen
    • Kleden, uitdossen of versieren, vooral voor speciale gelegenheden, ceremonies, enz.
    • Iets of iemand kleding aantrekken.
    • Zichzelf kleding aantrekken; kleren aantrekken.

    Grammatica en verbuiging van kleden

    • kleden (weak in -d)
    • (Verb) Conjugation of kleden
      infinitive kleden
      present tense past tense
      1st person singular kleed kleedde
      2nd person singular kleedt kleedde
      3rd person singular kleedt kleedde
      plural kleden kleedden
      subjunctive sing.1 klede kleedde
      subjunctive plur.1 kleden kleedden
      imperative sing. kleed
      imperative plur.1 kleedt
      participles kledend (hebben/zijn) gekleed
      1) Archaic.
    • Inflection of kleden (weak)
      infinitive kleden
      past singular kleedde
      past participle gekleed
      infinitive kleden
      gerund kleden n
      verbal noun
      present tense past tense
      1st person singular kleed kleedde
      2nd person sing. (jij) kleedt kleedde
      2nd person sing. (u) kleedt kleedde
      2nd person sing. (gij) kleedt kleedde
      3rd person singular kleedt kleedde
      plural kleden kleedden
      subjunctive sing.1 klede kleedde
      subjunctive plur.1 kleden kleedden
      imperative sing. kleed
      imperative plur.1 kleedt
      participles kledend gekleed
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " kleden "