eigentijds in woordenboek Nederlands

  • eigentijds

    Betekenissen en definities van "eigentijds"

    • Behorend tot de huidige tijd.

    Grammatica en verbuiging van eigentijds

    • eigentijds ( comparative eigentijdser, superlative meest eigentijds or eigentijdst)
    • (Adjective) Declension of eigentijds
      positive comparative superlative
      attributive predicative/adverbial
      predicative/adverbial eigentijds eigentijdser  
      neutersingular indefinite eigentijds eigentijdser
      definite eigentijdse eigentijdsere eigentijdste het eigentijdst(e)
      common singular eigentijdse eigentijdsere eigentijdste de eigentijdste
      plural eigentijdse eigentijdsere eigentijdste de eigentijdste
      partitive eigentijds eigentijdsers  
    • eigentijds (comparative eigentijdser, superlative meest eigentijds or eigentijdst) ;;
      Inflection of eigentijds
      uninflected eigentijds
      inflected eigentijdse
      comparative eigentijdser
      positive comparative superlative
      predicative/adverbial eigentijds eigentijdser het eigentijdst
      het eigentijdste
      indefinite m./f. sing. eigentijdse eigentijdsere eigentijdste
      n. sing. eigentijds eigentijdser eigentijdste
      plural eigentijdse eigentijdsere eigentijdste
      definite eigentijdse eigentijdsere eigentijdste
      partitive eigentijds eigentijdsers

Voorbeeldzinnen met " eigentijds "