bekwaam in woordenboek Nederlands

  • bekwaam

    Betekenissen en definities van "bekwaam"

    • Instaat zijn iets te doen.
    • Voldoende hebben of de vereiste eigenschappen bezitten voor een zeker doel of zaak; passend voor de gelegenheid.
    • Hooggeschoold.

    Grammatica en verbuiging van bekwaam

    • (Adjective) Declension of bekwaam
      positive comparative superlative
      attributive predicative/adverbial
      predicative/adverbial bekwaam bekwamer  
      neutersingular indefinite bekwaam bekwamer
      definite bekwame bekwamere bekwaamste het bekwaamst(e)
      common singular bekwame bekwamere bekwaamste de bekwaamste
      plural bekwame bekwamere bekwaamste de bekwaamste
      partitive bekwaams bekwamers  
    • bekwaam ( comparative bekwamer, superlative bekwaamst)
    • bekwaam (comparative bekwamer, superlative bekwaamst) ;;
      Inflection of bekwaam
      uninflected bekwaam
      inflected bekwame
      comparative bekwamer
      positive comparative superlative
      predicative/adverbial bekwaam bekwamer het bekwaamst
      het bekwaamste
      indefinite m./f. sing. bekwame bekwamere bekwaamste
      n. sing. bekwaam bekwamer bekwaamste
      plural bekwame bekwamere bekwaamste
      definite bekwame bekwamere bekwaamste
      partitive bekwaams bekwamers

Voorbeeldzinnen met " bekwaam "