aanpassen in woordenboek Nederlands

  • aanpassen

    Betekenissen en definities van "aanpassen"

    • aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
    • Iets passend maken.
    • Voor een bepaald doel veranderen.

    Grammatica en verbuiging van aanpassen

    • (Verb) Conjugation of aanpassen
      infinitive aanpassen
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular pas aan paste aan aanpas aanpaste
      2nd person singular past aan paste aan aanpast aanpaste
      3rd person singular past aan paste aan aanpast aanpaste
      plural passen aan pasten aan aanpassen aanpasten
      subjunctive sing.1 passe aan paste aan aanpasse aanpaste
      subjunctive plur.1 passen aan pasten aan aanpassen aanpasten
      imperative sing. pas aan
      imperative plur.1 past aan
      participles aanpassend (hebben) aangepast
      1) Archaic.
    • aanpassen (weak in -t, separable)
    • Inflection of aanpassen (weak, separable)
      infinitive aanpassen
      past singular paste aan
      past participle aangepast
      infinitive aanpassen
      gerund aanpassen n
      verbal noun
      main clause subordinate clause
      present tense past tense present tense past tense
      1st person singular pas aan paste aan aanpas aanpaste
      2nd person sing. (jij) past aan paste aan aanpast aanpaste
      2nd person sing. (u) past aan paste aan aanpast aanpaste
      2nd person sing. (gij) past aan paste aan aanpast aanpaste
      3rd person singular past aan paste aan aanpast aanpaste
      plural passen aan pasten aan aanpassen aanpasten
      subjunctive sing.1 passe aan paste aan aanpasse aanpaste
      subjunctive plur.1 passen aan pasten aan aanpassen aanpasten
      imperative sing. pas aan
      imperative plur.1 past aan
      participles aanpassend aangepast
      1) Archaic.

Voorbeeldzinnen met " aanpassen "