Vertaling van "through" naar Nederlands
door, doorheen, met zijn de beste vertalingen van "through" in Nederlands.
through
adjective
noun
adverb
adposition
grammatica
Passing from one side of an object to the other. [..]
-
door
adverb adpositionfrom one side of an opening to the other [..]
Languages are not carved in stone. Languages live through all of us.
Talen zijn niet gebeiteld in steen. Talen leven door ons allemaal.
-
doorheen
adjectiveVanaf een zijde van een opening naar de andere. [..]
He made his way through difficulties.
Hij baande zijn weg doorheen de problemen.
-
met
adverbHold the line please. I'll put you through to his office.
Blijf aan de lijn alstublieft. Ik verbind u door met zijn bureau.
-
Minder frequente vertalingen
- per
- heel
- geheel
- volledig
- via
- aan
- op
- uit
- voor
- klaar
- af
- vanwege
- afgelopen
- compleet
- te wijten aan
- wegens
- totaal
- volkomen
- totaliter
- afgewerkt
- gereed
- beëindigd
- in ruil voor
- op grond van
- tot het eind
- tot het einde
- helemaal
- finaal
- voluit
- door ... heen
- ten volle
- middels
- erdoor
- door bemiddeling van
- door middel van
- tot en met
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "through" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Afbeeldingen met "through"
Zinnen vergelijkbaar met "through" met vertalingen in Nederlands
-
Zwerkbal Door de Eeuwen Heen
-
bewerkstelligen · doorvoeren · doorzetten · nakomen · naleven · realiseren · tot stand brengen · uitvoeren · verrichten · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · voltrekken
-
afhakken · afhouwen · afkappen · afleggen · aflopen · afmaken · afslachten · bedaren · bevangen · delven · doden · doodmaken · doodschieten · doorgaan · doorkruisen · doorlezen · ervaren · fnuiken · fusilleren · gaan door · geruststellen · gewaarworden · kalmeren · kappen · kleinmaken · neerdrukken · neerhalen · neerkomen · neerslachtig maken · neervellen · omhakken · omkappen · ondergaan · ontmoedigen · opduikelen · opgraven · putten uit · rijden door · rooien · slachten · slopen · terneerdrukken · uitgraven · uitputten · vellen · vernederen · verootmoedigen · verslaan · verzwakken · voelen · voltooien · winnen · wippen · zegevieren
Voorbeeld toevoegen
Toevoegen