Vertaling van "imposing" naar Nederlands

indrukwekkend, imponerend, aanmerkelijk zijn de beste vertalingen van "imposing" in Nederlands.

imposing adjective verb grammatica

Present participle of impose . [..]

+ Toevoegen

Engels - Nederlands woordenboek

  • indrukwekkend

    adjective

    Would the apostles tremble with fear before such an imposing and hostile assembly?

    Zouden de apostelen beven van angst wanneer zij voor zo’n indrukwekkende en vijandige vergadering zouden verschijnen?

  • imponerend

    adjective

    The brothers were delighted to have their own hall, especially in such an imposing building.

    De broeders waren dolblij met een eigen zaal, vooral in zo’n imponerend gebouw.

  • aanmerkelijk

    adjective

    Despite the interventions by the Commission, in cooperation with industry, in most cases measures are nevertheless imposed.

    Dit is een hogere norm dan de aanmerkelijke schade, die vereist is bij antidumping- en antisubsidie-onderzoeken.

  • Minder frequente vertalingen

    • aanzienlijk
    • geruim
    • imposant
    • majestueus
    • plechtstatig
    • statig
    • verheven
    • kloek
  • Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen

Automatische vertalingen van "imposing" in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Zinnen vergelijkbaar met "imposing" met vertalingen in Nederlands

  • aanbrengen · aandoen · aanslaan · aantrekken · belasten · belasting heffen op · dwingen · forceren · noodzaken · opbrengen · opdringen · opleggen · veraccijnzen · verplichten · zich opdringen
  • aanbrengen · aandoen · aanslaan · aantrekken · belasten · belasting heffen op · doordrukken · dwingen · forceren · heffen · imponeren · noodzaken · opbrengen · opdringen · opleggen · opmaken · veraccijnzen · verplichten · zich opdringen
  • forceren · opdringen · opleggen
  • opgelegd · opgelegde
  • voorgeschreven prijs
  • imponeren
  • forceren · opdringen · opleggen
  • aanbrengen · aandoen · aanslaan · aantrekken · belasten · belasting heffen op · doordrukken · dwingen · forceren · heffen · imponeren · noodzaken · opbrengen · opdringen · opleggen · opmaken · veraccijnzen · verplichten · zich opdringen
Toevoegen

Vertalingen van "imposing" naar Nederlands in context, vertaalgeheugen