Vertaling van "demeaning" naar Nederlands
kleinerend, onterend, verlagend zijn de beste vertalingen van "demeaning" in Nederlands.
Present participle of demean. [..]
-
kleinerend
particleWat een persoon moreel minderwaardig maakt.
And Santana's trying to demean us to get inside of our heads so that we remain losers.
En Santana probeert ons te kleineren, in ons hoofd te komen, zodat wij losers blijven.
-
onterend
particleWat een persoon moreel minderwaardig maakt.
I do not know what led Hungarian diplomats to demean the symbols of their own history.
Ik begrijp niet hoe de Hongaarse diplomatie het in haar hoofd heeft kunnen halen de symbolen van de eigen geschiedenis zo te onteren.
-
verlagend
particleWat een persoon moreel minderwaardig maakt.
I can understand your anger, but you shouldn't demean yourself. ?
Ik snap dat je boos bent, maar verlaag jezelf niet.
-
vernederend
adjective particleWat een persoon moreel minderwaardig maakt.
Your spectacles are demeaning to our higher purpose, but there are an effective proving ground.
Je speculaties zijn vernederend voor ons uiteindelijke doel, maar ze zijn een effectieve test methode.
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "demeaning" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Zinnen vergelijkbaar met "demeaning" met vertalingen in Nederlands
-
afbreken · afdraaien · afgeven op · afkammen · aflaten · behandelen · behandeling · beheer · een streep trekken · gedrag · gedragen · herleiden · houding · in discrediet brengen · inkorten · inkrimpen · kleineren · kleinmaken · laten zakken · neerhalen · neerlaten · onteren · reduceren · ruïneren · strijken · te gronde richten · ten val brengen · trekken · vellen · verderven · vereenvoudigen · verlagen · verminderen · vernederen · verootmoedigen · zetten
-
vernederen
-
zich gedragen
-
afbreken · afdraaien · afgeven op · afkammen · aflaten · behandelen · behandeling · beheer · een streep trekken · gedrag · gedragen · herleiden · houding · in discrediet brengen · inkorten · inkrimpen · kleineren · kleinmaken · laten zakken · neerhalen · neerlaten · onteren · reduceren · ruïneren · strijken · te gronde richten · ten val brengen · trekken · vellen · verderven · vereenvoudigen · verlagen · verminderen · vernederen · verootmoedigen · zetten