Vertaling van "compete" naar Nederlands
wedijveren, concurreren, meedingen zijn de beste vertalingen van "compete" in Nederlands.
To contend emulously; to seek or strive for the same thing, position, or reward for which another is striving; to contend in rivalry, as for a prize or in business; as, tradesmen compete with one another. [..]
-
wedijveren
verbto contend [..]
In their minds we're competing for this turf.
Ze denken dat we wedijveren voor dit gebied.
-
concurreren
verbZich inspannen tegen een ander of anderen om een doel te bereiken, zoals een voordeel of een overwinning.
This product is not only competing with cigarettes, it is also disturbing the market for cigars and cigarillos.
Dit product concurreert niet enkel met sigaretten, doch verstoort ook de markt voor sigaren en cigarillo's.
-
meedingen
verbZich inspannen tegen een ander of anderen om een doel te bereiken, zoals een voordeel of een overwinning.
I just better make sure I do something that competes.
Ik zal maar best iets maken dat ermee kan meedingen.
-
Minder frequente vertalingen
- mededingen
- meewerken
- aan een wedstrijd deelnemen
- dingen
- rivaliseren
- betwisten
- bestrijden
- aanvechten
- weerleggen
- contesteren
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "compete" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Zinnen vergelijkbaar met "compete" met vertalingen in Nederlands
-
bevoegde rechtbank
-
concurreren · meedingen · strijden · wedijveren
-
wetgevende bevoegdheid
-
concurrerend
-
begaafd · bekwaam · bevoegd · capabel · competent · conpetent · deskundig · gerechtigd · getalenteerd · in staat · kunnen · meesterlijk · toereikend · vaardig · vakkundig · volleerd · volmaakt · zaakkundig
-
bevoegdheid van de lidstaten
-
bekende · bekendheid · bekwaamheid · besef · bevoegdheid · bewustzijn · bezinning · competentie · kennen · kennis · kenvermogen · kunde · medeweten · rechtsbevoegdheid · relatie · vakbewaamheid · verstand · weten · wetenschap
-
adres · bedrevenheid · bekende · bekendheid · bekwaamheid · besef · bevoegdheid · bewustzijn · bezinning · competentie · deskundigheid · expertise · handigheid · kennen · kennis · kenvermogen · kunde · kundigheid · medeweten · rechtsbevoegdheid · relatie · slag · vaardigheid · vakbewaamheid · verstand · vlugheid · weten · wetenschap