Vertaling van "trübe" naar Nederlands

donker, somber, duister zijn de beste vertalingen van "trübe" in Nederlands.

trübe adjective

Sich seelisch nicht wohl fühlend, weil etwas fehlt oder nicht stimmt.

+ Toevoegen

Duits - Nederlands woordenboek

  • donker

    noun neuter

    Das, was ich im Morgenlicht sah, wird für immer meine Gedanken trüben.

    Wat ik zag in de ochtend licht, voor altijd donkere gedachten.

  • somber

    adjective

    Zich mentaal onconfortabel voelend als er iets mis of verkeerd is.

    In den folgenden Jahren trübte sich die Lage ein.

    In de jaren daarna zag de situatie er somberder uit.

  • duister

    noun

    Betrachte nicht alles, was du erlebst, durch eine Brille, die durch die Narben der Misshandlung getrübt ist.

    Bekijk het leven niet door de duistere bril van mishandeling.

  • Minder frequente vertalingen

    • troebel
    • onduidelijk
    • vaag
    • dof
    • druilerig
    • mat
    • miezerig
    • verdacht
    • wazig
    • droefgeestig
    • mistroostig
    • triestig
    • betrokken
    • bewolkt
    • bot
    • melancholiek
    • naargeestig
    • stomp
    • troosteloos
    • weemoedig
    • zwaarmoedig
    • bedroefd
    • bedrukt
    • depressief
    • droef
    • droevig
    • mismoedig
    • moedeloos
    • neerslachtig
    • pijnlijk
    • rouwig
    • sip
    • smartelijk
    • teneergelagen
    • terneergeslagen
    • treurig
    • triest
    • verdrietig
    • vreugdeloos
  • Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen

Automatische vertalingen van "trübe" in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Vertalingen met alternatieve spelling

Trübe
+ Toevoegen

Duits - Nederlands woordenboek

  • silt

    noun

Afbeeldingen met "trübe"

Zinnen vergelijkbaar met "trübe" met vertalingen in Nederlands

  • sombere vooruitzichten
  • agiteren · benevelen · betrekken · dempen · dof worden · donker worden · dooreenhalen · ergeren · kwaad maken · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · schudden · slechter worden · storen · troebel worden · van zijn stuk brengen · verdonkeren · verduisteren · verslechteren · versomberen · verstoren · vertroebelen · verwarren · verwisselen
  • verward · warrig
  • bedroefd · bedrukt · betrokken · bewolkt · bleek · depressief · droef · droefgeestig · droevig · lusteloos · mismoedig · mistroostig · moedeloos · neerslachtig · pijnlijk · rouwig · schemerig · sip · smartelijk · somber · teneergelagen · terneergeslagen · treurig · triest · triestig · troebel · troebele · verdrietig · wazig
  • agiteren · benevelen · betrekken · dempen · dof worden · donker worden · dooreenhalen · ergeren · kwaad maken · ophitsen · opruien · opstoken · opwinden · schudden · slechter worden · storen · troebel worden · van zijn stuk brengen · verdonkeren · verduisteren · verslechteren · versomberen · verstoren · vertroebelen · verwarren · verwisselen
Toevoegen

Vertalingen van "trübe" naar Nederlands in context, vertaalgeheugen