Vertaling van "schaden" naar Nederlands
schaden, beschadigen, benadelen zijn de beste vertalingen van "schaden" in Nederlands.
(jemanden) in die Pfanne hauen (umgangssprachlich)
-
schaden
verbMehr als acht Stunden arbeiten kann deiner Gesundheit aus verschiedenen Gründen schaden.
Meer dan 8 uur werken kan je gezondheid schaden om verschillende redenen.
-
beschadigen
verbWie immer hast du impulsiv gehandelt und diese Firma irreparabel geschadet.
Weer heb je onbezonnen gehandeld en het bedrijf beschadigd.
-
benadelen
verbminder geven
Er würde sein Wissen nie dazu verwenden, anderen zu schaden.
Hij zou zijn kennis nooit gebruiken om iemand te benadelen.
-
Minder frequente vertalingen
- deren
- havenen
- bederven
- schenden
- toetakelen
- schadelijk zijn
- stukmaken
- schade aanrichten
- kwetsen
- bezeren
- verwoesten
- zeeschade
- pijn doen
- pijn veroorzaken
- zwaar beschadigen
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "schaden" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Vertalingen met alternatieve spelling
Macke (umgangssprachlich) [..]
-
schade
noun neuterjeder Nachteil, den eine Person oder Sache durch ein Ereignis erleidet [..]
Der Sturm hat schweren Schaden für die Ernte verursacht.
De storm heeft zware schade toegebracht aan de oogst.
-
nadeel
noun neuterEen reden van verlies of schade.
Nach dem Vorlagebeschluss betrifft die Erstattung wegen erlittener Schäden die Zeit von 1997 bis 2001.
Volgens de verwijzingsbeschikking betreft het tijdvak waarvoor terugbetaling wordt gevorderd, wegens geleden nadeel, de periode van 1997‐2001.
-
gebrek
noun neuterMangel an Bewegung kann der Gesundheit schaden.
Gebrek aan beweging kan de gezondheid schaden.
-
Minder frequente vertalingen
- strop
- verlies
- beschadiging
- defect
- afbreuk
- averij
- deficit
- letsel
- schaden
- jammer
- beschadigen
- smet
- schadelijk
- verliezen
- ravage
- zeeschade
- nederlaag
Zinnen vergelijkbaar met "schaden" met vertalingen in Nederlands
-
Affectieschade
-
Spijtig!
-
bederven · beschadigen · havenen · schade aanrichten · schade berokkenen · schaden · schenden · stukmaken · toetakelen · verwoesten · zwaar beschadigen
-
helaas · jammer · medelijden · schande · sneu · spijtig · zonde
-
dat is dan jammer voor hem
-
een behoorlijke schade
-
averij
-
Jammer