Vertaling van "pass" naar Nederlands

pas, passeren, pass zijn de beste vertalingen van "pass" in Nederlands.

pass verb
+ Toevoegen

Duits - Nederlands woordenboek

  • pas

    noun

    Das ist zu klein, um auf deinen Kopf zu passen.

    Dat is te klein om op je hoofd te passen.

  • passeren

    verb

    Ihr könnt weder schießen noch passen und auch keine Punkte machen.

    Jullie kunnen niet schieten, niet passeren en zeker geen punten scoren.

  • pass

    Das ist zu klein, um auf deinen Kopf zu passen.

    Dat is te klein om op je hoofd te passen.

  • Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen

Automatische vertalingen van "pass" in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Vertalingen met alternatieve spelling

Pass noun masculine grammatica

Ein vom Staat ausgestellter Identitätsausweis, mit dem man Landesgrenzen überschreiten darf.

+ Toevoegen

Duits - Nederlands woordenboek

  • paspoort

    noun neuter masculine

    Een door een overheid afgegeven identiteitsbewijs, waarmee men de landsgrenzen over mag.

    Ein Pass ist etwas, ohne das man nicht in ein anderes Land kommt.

    Een paspoort is iets onmisbaars als men naar het buitenland gaat.

  • bergpas

    noun masculine

    Der Pass ist für Fahrzeuge ohne Schneeketten gesperrt.

    De bergpas is gesloten voor voertuigen zonder sneeuwkettingen.

  • pas

    noun

    Das ist zu klein, um auf deinen Kopf zu passen.

    Dat is te klein om op je hoofd te passen.

  • Minder frequente vertalingen

    • pass
    • reispas
    • telgang
    • trap
    • Pass
    • bergengte
    • passage
    • sleutelkaart

Afbeeldingen met "pass"

Zinnen vergelijkbaar met "pass" met vertalingen in Nederlands

  • let op je woorden!
  • pas · paspoort · sleutelkaart
  • Grants Pass
  • pas
  • Passing
  • hij komt en gaat zoals het hem uitkomt
  • Vršič-pas
  • adequaat · afgepast · behoorlijk · bekwaam · betamelijk · bruikbaar · capabel · competent · doelmatig · eerlijk · fatsoenlijk · gelegen · gemakkelijk · gepast · gerieflijk · geschikt · geschikte · geëigend · goed · juist · keurig · netjes · pas · pasklaar · passend · passende · recht · terecht · toepasselijk · treffend · voegzaam · welvoeglijk
Toevoegen

Vertalingen van "pass" naar Nederlands in context, vertaalgeheugen