Vertaling van "auslassen" naar Nederlands

weglaten, uitlaten, loslaten zijn de beste vertalingen van "auslassen" in Nederlands.

auslassen verb grammatica

schwafeln (umgangssprachlich) [..]

+ Toevoegen

Duits - Nederlands woordenboek

  • weglaten

    noun

    Es wäre wohl besser den letzten Teil einfach auszulassen

    Ik kan dat laatste misschien wel beter weglaten

  • uitlaten

    verb noun

    Keine einzige Zeile wurde ausgelassen, nicht eine Handlung vergessen.

    Er word geen regel uitgelaten en geen handeling vergeten.

  • loslaten

    verb

    Sie sollten darüber hinweg kommen und es an Agent Walker auslassen.

    Dat moet je loslaten of op agent Walker afreageren.

  • Minder frequente vertalingen

    • tappen
    • lossen
    • vieren
    • overslaan
    • uiten
    • uithalen
    • afkappen
    • afreageren
    • koelen
    • uit laten
    • vergeten
    • diffuseren
    • slaken
    • uitdrijven
    • verkwisten
    • rondstrooien
    • rondsturen
    • voortplanten
    • ontlokken
    • omroepen
    • strooien
    • uitbrengen
    • zich verspreiden
    • uitleggen
  • Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen

Automatische vertalingen van "auslassen" in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Vertalingen met alternatieve spelling

Auslassen Noun grammatica
+ Toevoegen

"Auslassen" in Duits - Nederlands woordenboek

Momenteel hebben we geen vertalingen voor Auslassen in het woordenboek, misschien kun je er een toevoegen? Controleer automatische vertaling, vertaalgeheugen of indirecte vertalingen.

Zinnen vergelijkbaar met "auslassen" met vertalingen in Nederlands

  • abundant · baldadig · bovenmatig · dartel · dol · driest · enthousiast · goedgezind · hilarisch · mal · melig · monter · olijk · ondeugend · oneerbaar · ongeremd · onkuis · ontuchtig · onzedelijk · opgetogen · overgeslagen · schalks · schelms · speels · stoeierig · stoeis · uitbundig · uitgelaten · vrolijk · weggelaten · wulps
  • uitlaten
  • geen gelegenheid voorbij laten gaan
  • abundant · baldadig · bovenmatig · dartel · dol · driest · enthousiast · goedgezind · hilarisch · mal · melig · monter · olijk · ondeugend · oneerbaar · ongeremd · onkuis · ontuchtig · onzedelijk · opgetogen · overgeslagen · schalks · schelms · speels · stoeierig · stoeis · uitbundig · uitgelaten · vrolijk · weggelaten · wulps
Toevoegen

Vertalingen van "auslassen" naar Nederlands in context, vertaalgeheugen