Vertaling van "Riss" naar Nederlands

scheur, barst, breuk zijn de beste vertalingen van "Riss" in Nederlands.

Riss noun masculine grammatica

Knacks (umgangssprachlich) [..]

+ Toevoegen

Duits - Nederlands woordenboek

  • scheur

    noun

    Ich werde eine Seite aus diesem Buch reißen.

    Ik zal een blad uit dat boek scheuren.

  • barst

    noun

    Gas entwich aus einem Riss in der Leitung.

    Er ontsnapte gas uit een barst in de leiding.

  • breuk

    noun feminine

    Wir haben noch nicht einmal herausgefunden, wie wir den Riss schließen können.

    We kunnen niet eens bedenken hoe we de breuken kunnen dichten.

  • Minder frequente vertalingen

    • spleet
    • gaping
    • krak
    • ontwerp
    • schets
    • scheuring
    • schram
    • sprong
    • tekening
    • groef
    • reet
    • kloof
    • split
  • Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen

Automatische vertalingen van "Riss" in Nederlands

  • Glosbe

    Glosbe Translate
  • Google

    Google Translate

Vertalingen met alternatieve spelling

riss verb
+ Toevoegen

"riss" in Duits - Nederlands woordenboek

Momenteel hebben we geen vertalingen voor riss in het woordenboek, misschien kun je er een toevoegen? Controleer automatische vertaling, vertaalgeheugen of indirecte vertalingen.

RiSS
+ Toevoegen

"RiSS" in Duits - Nederlands woordenboek

Momenteel hebben we geen vertalingen voor RiSS in het woordenboek, misschien kun je er een toevoegen? Controleer automatische vertaling, vertaalgeheugen of indirecte vertalingen.

Afbeeldingen met "Riss"

Zinnen vergelijkbaar met "Riss" met vertalingen in Nederlands

  • scheurde · scheurden
  • blauwdruk · concept · kaart · landkaart · ontwerp · opzet · plan · plattegrond · project · tekening
  • trekken
  • doortrapt · gehaaid · geraffineerd · gescheurd · geslepen · gewiekst · glad · leep · list en bedrog · listig · listige · pienter · scherpzinnig · sluw · uitgekookt
  • afscheuren · barsten · breken · doorscheuren · duwen · kapotgaan · nemen · rijten · rukken · scheur · scheuren · schokken · schrammen · sleuren · springen · stoten · trekken · uitscheuren · vechten om · verdelen · verscheuren · z. toe-eigenen · zich toe-eigenen
  • een scheur in het hout
  • in het ergste geval
  • aan flarden scheuren
Toevoegen

Vertalingen van "Riss" naar Nederlands in context, vertaalgeheugen