Vertaling van "Bestand" naar Nederlands
bestand, voorraad, bestendigheid zijn de beste vertalingen van "Bestand" in Nederlands.
Waldstück (umgangssprachlich)
-
bestand
noun neuterZiel ist es, die betroffenen Bestände wiederaufzufuellen, so dass sie sich innerhalb sicherer biologischer Grenzen befinden.
Het herstelplan beoogt het herstel van de betrokken bestanden tot binnen biologisch veilige grenzen.
-
voorraad
noun masculineIm UZ nahm die Verkaufsmenge zwar zu, was aber zum Teil darauf zurückzuführen war, dass Bestände abgebaut wurden.
In het onderzoektijdvak heeft het verkoopvolume zich gedeeltelijk hersteld door de verkoop van voorraden.
-
bestendigheid
Der Zähler muß aus Werkstoffen mit einer für seinen Verwendungszweck geeigneten Festigkeit und Dauerhaftigkeit bestehen .
De meter moet zijn uitgevoerd in materialen met een voor het gebruiksdoel passende weerstand en bestendigheid .
-
Minder frequente vertalingen
- gestaagheid
- afval
- staartje
- bestaan
- boedel
- duurzaamheid
- huisraad
- inboedel
- inventaris
- overleven
- overblijfsel
- rest
- rommel
- standvastigheid
- stock
- activa
- activum
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "Bestand" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Vertalingen met alternatieve spelling
"bestand" in Duits - Nederlands woordenboek
Momenteel hebben we geen vertalingen voor bestand in het woordenboek, misschien kun je er een toevoegen? Controleer automatische vertaling, vertaalgeheugen of indirecte vertalingen.
Zinnen vergelijkbaar met "Bestand" met vertalingen in Nederlands
-
het leven bestaat uit geven en nemen
-
inventariseren
-
aan de hand zijn · aanbelanden · aandringen · aanhouden · aankomen · aanlanden · arriveren · behalen · benadrukken · bereiken · bestaan · bestaan uit · blijven bij · doorbijten · doordrammen · doorkomen · doorstaan · doorzetten · drammen · eisen · erop aandringen · erop staan · gebeuren · geschieden · halen · heersen · inhalen · insisteren · inslaan · klaarspelen · met klem beweren · opdringen · opeisen · overkomen · raken · reiken tot · slagen · slagen voor · staan · standhouden · teisteren · terechtkomen · treffen · voet bij stuk houden · volharden · volhouden · voorkomen · voorvallen · waarmaken · weerstaan · zeuren · zijn
-
bestaan uit · bevatten · omvatten
-
aandringen · staan
-
bedrijf
-
bestanden · opstanden · reserve · voorraden
-
begroeid · bejaard