Vertaling van "uitgaan" naar Nederlands
uitgaan, uitlopen, uitkomen zijn de beste vertalingen van "uitgaan" in Nederlands.
uitgaan
verb
grammatica
-
uitgaan
verbNet toe hy wou uitgaan, het n aardbewing begin.
Net toen hij wilde uitgaan, begon er een aardbeving.
-
uitlopen
verbWie se invloed dryf die nasies na die wêreldsituasie wat op oorlog teen God gaan uitloop?
Onder welke invloed worden de natiën voortgedreven naar de wereldsituatie die op een oorlog tegen God zal uitlopen?
-
uitkomen
verbPartykeer wonder ons dalk ook wanneer God se beloftes waar gaan word.
Ook wij vragen ons misschien weleens af wanneer Gods beloften zullen uitkomen.
-
Minder frequente vertalingen
- uittreden
- uitstappen
- uitstijgen
- aangeven
- verdrijven
- aanbotsen
- aandraaien
- doneren
- aanreiken
- aansteken
- bestijgen
- zinken
- afdalen
- inschakelen
- klimmen
- toebrengen
- schakelen
- toekennen
- stijgen
- rijzen
- opbrengen
- doorbrengen
- aandoen
- verlenen
- schenken
- geven
- geduwd worden
- naar beneden gaan
- naar boven gaan
- zich stoten
- voortkomen
- leiden
- bereiken
- besturen
- belenden
- inhalen
- behalen
- voortvloeien
- voortspruiten
- resulteren
- geleiden
- voeren
- volgen
- brengen
- grenzen aan
- leiden tot
- reiken tot
- uitdraaien op
- uitlopen op
-
Toon algoritmisch gegenereerde vertalingen
Automatische vertalingen van "uitgaan" in Nederlands
-
Glosbe Translate
-
Google Translate
Zinnen vergelijkbaar met "uitgaan" met vertalingen in Nederlands
-
aangaan
-
ik weet niet of hij ziek is, maar ik ga het vragen
-
aanleggen · aanmaken · aanvullen · ageren · assureren · bedrijven · behoeden · beloven · beschermen · betuigen · beveiligen · bewerkstelligen · bezig zijn · bijwerken · borg staan voor · bouwen · completeren · construeren · dempen · doen · doorvoeren · effect sorteren · fabriceren · fitten · garanderen · handelen · in veiligheid brengen · installeren · invullen · laten · laten doen · leggen · maken · nakomen · naleven · opereren · optreden · plaatsen · poseren · realiseren · situeren · spekken · sponsoren · stationeren · steken · stellen · stoppen · supplementeren · te werk gaan · toezeggen · tot stand brengen · uitbrengen · uitloven · uitrichten · uitvoeren · uitwerken · uitwerking hebben · veilig stellen · verrichten · vervaardigen · vervullen · verwerkelijken · verwezenlijken · verzeggen · verzekeren · voleinden · volmaken · volschenken · voltrekken · vrijwaren · vullen · waarborgen · werken · zetten · zitten
Voorbeeld toevoegen
Toevoegen